Voorproefje van De donkerste lust, van Gena Showalter

Hoofdstuk 1

Reyes stond op het dak van zijn fort in Boedapest, vier verdiepingen hoog, zijn voeten wankel balancerend op de hoogste richel. Boven hem lekte rood en geel maanlicht uit de lucht, bloed vermengd met grillig goud, donker vermengd met licht, vers toegebrachte wonden in de eindeloze uitgestrektheid van zwart fluweel.

Hij staarde in de donkere, wachtende leegte onder hem, de grond die honend zijn armen spreidde als in een smeekbede om hem te omhelzen. Na duizenden jaren ben ik nog steeds gereduceerd tot dít, dacht hij.

Er stond een koude wind die zijn haar alle kanten uit blies, die kietelde aan zijn blote borst met de gehate vlinder die reikte tot aan zijn hals, en hij dacht terug aan het levensbloed dat erop vergoten was. Niet zijn eigen bloed trouwens. Nee, niet dat van hem, maar van zijn vriend. Ieder haartje dat langs dat denkbeeldige bewijs van leven en dood streek, was als olie op het vuur van zijn allesverterende schuldgevoel.

Talloze keren was hij hierheen gekomen, vol wensen die nooit zouden uitkomen. Talloze keren had hij gebeden om gratie, om bevrijd te worden van zijn dagelijkse kwelling en de demon in zijn binnenste die daar verantwoordelijk voor was... bevrijd te worden van zijn totale afhankelijkheid van zelfverminking.

Zijn gebeden waren nooit verhoord. Zouden nooit verhoord worden. Dit was wat hij was, wat hij altijd zou zijn. En zijn lijden zou alleen maar toenemen. Ooit was hij een onsterfelijke krijger voor de goden geweest, nu was hij een Heer van de Onderwereld, bezeten door een van de vele geesten die voorheen opgesloten hadden gezeten in dimOuniak. Van lieveling naar verschoppeling, van geliefd naar veracht. Van geluk naar permanente misère.

Hij knarsetandde. Stervelingen kenden dimOuniak als de doos van Pandora; hij kende het als de bron van zijn eeuwigdurende ondergang. Zijn vrienden en hij hadden de doos al die eeuwen geleden zonder toestemming geopend; nu wáren zijn vrienden en hij de doos, en had ieder van hen een demon in zijn binnenste.

Spring, smeekte zijn demon.

Zijn demon: Pijn. Zijn constante metgezel. De verleidelijke fluistering in zijn achterhoofd, de duistere macht die snakte naar onuitsprekelijk kwaad. De bovennatuurlijke kracht waar hij iedere vervloekte minuut van iedere vervloekte dag tegen vocht.

Spring.

‘Nog niet.’ Nog een paar seconden wachten in de wetenschap dat het merendeel van zijn botten zou versplinteren zodra hij de grond raakte. Hij grijnsde bij de gedachte. De vlijmscherpe botsplinters zouden in zijn gewonde en opgezwollen organen snijden, en die organen zouden als waterballonnen uit elkaar klappen; zijn huid zou scheuren door het overtollige vocht, en dit keer zou het bloed dat vloeide wél zijn eigen bloed zijn. Pijn, die verrukkelijke pijn, zou hem verteren.

In ieder geval voor een tijdje.

Langzaam loste zijn glimlach op. Binnen een paar dagen - uren als het hem niet lukte om zichzelf ernstig genoeg te verwonden - zou zijn lichaam zichzelf weer genezen, volkomen en volledig. Hij zou wakker worden, helemaal genezen, en Pijn zou opnieuw een dwingende kracht zijn in zijn hoofd, te luidruchtig om te negeren. Maar o, die paar verrukkelijke seconden voordat zijn botten zich begonnen te hergroeperen, voordat zijn organen zich begonnen te herstellen en zijn huid ging helen, voordat er weer bloed door zijn aderen stroomde, waren een hemelse ervaring voor hem. Het ultieme paradijs. Vervoering van de zoetste soort. Hij zou kronkelen van het intense genot dat de pijn hem schonk - zijn énige bron van genot. De demon zou spinnen van tevredenheid, zo dronken van de sensatie dat hij niet in staat zou zijn een woord uit te brengen, en Reyes zou een gelukzalige rust ervaren.

Voor even dan. Altijd maar voor even.

‘Ik hoef er niet opnieuw aan herinnerd te worden dat mijn rust maar van korte duur is,’ mompelde hij om de deprimerende gedachte te verdringen. Hij wist hoe snel de tijd verstreek. Een jaar voelde soms als hooguit een dag. Een dag voelde soms als hooguit een minuut.

En toch leken beide hem soms oneindig te duren. Slechts een van de vele tegenstellingen van het leven als Heer van de Onderwereld.

Spring, zei Pijn. En toen dringender: Spríng! Spríng!

‘Ik heb toch tegen je gezegd: nog een paar seconden.’ Opnieuw staarde Reyes naar de grond. Grillige rotsen knipoogden in het bloedrode maanlicht, de heldere plassen eromheen rimpelend in de wind. Mist steeg op als spookachtige vingers die hem dichterbij wenkten, zo verrukkelijk dichterbij. ‘Als je je vijand de keel doorsnijdt, is hij dood, ja,’ zei hij tegen de demon. ‘Maar dan is het ook voorbij, afgelopen, en heb je niks meer om je op te verheugen.’

Spríng! Een gesnauwd bevel, ongeduldig en behoeftig, een klein kind dat een driftbui heeft.

‘Zo meteen.’

Springspringspring!

Ja, soms waren demonen net jengelende kleine mensenkinderen. Reyes haalde een hand door zijn ongekamde haar en trok daarbij een paar strengen uit zijn hoofdhuid. Hij kende maar één manier om zijn wederhelft de mond te snoeren. Gehoorzamen. Waarom hij zelfs maar had geprobeerd om weerstand te bieden en te genieten van het moment, wist hij niet.

Spring!

‘Misschien word je dit keer teruggestuurd naar de hel,’ mompelde hij. Een wens koesteren kon altijd. Uiteindelijk spreidde hij zijn armen. Deed zijn ogen dicht. Leunde...

‘Kom naar beneden,’ hoorde hij een stem achter zich zeggen.

Reyes’ oogleden schoten open bij de onwelkome onderbreking, en hij verstijfde. Hij hervond zijn evenwicht maar draaide zich niet om. Hij wist waarom Lucien hier was, en hij schaamde zich te zeer om zijn vriend aan te kijken. Hoewel de krijger begreep wat hij doormaakte vanwege zijn demon, zou er nooit enig begrip zijn voor wat hij had gedaan.

‘Dat is wel de bedoeling, om beneden te komen. Als je weggaat, zal ik ervoor zorgen dat het gebeurt.’

‘Je weet best wat ik bedoelde.’ Er klonk geen enkel zweem van een lachje door in Luciens stem. ‘Ik moet met je praten.’

Plotseling hing de dauwachtige geur van rozen in de lucht, zwaar en weelderig en zo onverwacht in de late winternacht dat Reyes gezworen zou hebben dat hij was overgebracht naar een lenteweide. Een mens zou de geur hypnotisch hebben gevonden, betoverend, bijna bedwelmend, en zou alles hebben gedaan wat de krijger vroeg. Reyes vond het alleen maar irritant. Na duizenden jaren samen, zou Lucien toch hebben moeten weten dat de geur geen enkele invloed op hem had.

‘We praten morgen wel,’ zei hij gespannen.

Spring!

‘We praten nu. Daarna kun je doen waar je zin in hebt.’

Nadat Reyes zijn nieuwste misdaad had opgebiecht? Nee, dank je. Schuldgevoelens, schaamte en verdriet brachten dan misschien emotionele pijn met zich mee, maar konden geen van alle ook maar enigszins zijn demon tevredenstellen. Alleen fysiek lijden bood verlichting, hetgeen de reden was waarom Reyes zijn emotionele welzijn altijd zo trouw bewaakte.

Ja, en dat heb je echt fantastisch gedaan.

Hij liet zijn tong over zijn tanden glijden, niet goed wetend wie dit juweeltje van sarcasme had gefluisterd. Hijzelf of Pijn. ‘Ik heb het even heel zwaar nu, Lucien.’

‘De anderen ook. Ik ook.’

‘Jij hebt in ieder geval nog een vrouw om je te troosten.’

‘Jij hebt vrienden. Je hebt mij.’ Lucien, hoeder van de demon Dood, was belast met het begeleiden van menselijke zielen naar het hiernamaals, of dat hiernamaals nu de hemel was of de heetste vuren van de hel. Hij was stoïcijns, de rust zelve - meestal. Hij was hun leider geworden, de man tot wie iedere krijger die in dit fort in Boedapest woonde zich richtte voor advies en hulp. ‘Praat tegen me.’

Reyes vond het niet fijn om zijn vriend iets te weigeren, maar hij zei tegen zichzelf dat het beter was dat Lucien niet te horen kreeg wat hij voor verschrikkelijks had gedaan.

Zelfs terwijl Reyes het dacht, herkende hij de leugen voor wat deze was: een beschamend gebrek aan moed van zijn kant. ‘Lucien,’ begon hij, om vervolgens weer te zwijgen. Te grommen.

‘De signaalverf is helemaal afgesleten, en niemand weet waar Aeron is,’ zei Lucien. ‘Niemand weet wat hij aan het doen is, of hij degene is die die mensen heeft afgeslacht in de Verenigde Staten. Maddox zei dat hij je direct heeft gebeld nadat Aeron uit de kerker was ontsnapt. Vervolgens hoorde ik van Sabin dat je halsoverkop uit Rome en de Tempel van de Onuitspreekbaren bent vertrokken. Behoefte om me te vertellen waar je naartoe bent gegaan?’

‘Nee.’ De waarheid. Hij had er geen behoefte aan. ‘Maar wees gerust: Aeron is niet meer in staat om mensen af te slachten.’

Er viel een stilte, en de rozengeur werd sterker.

‘Hoe weet je dat zo zeker?’ De vraag had een scherp randje.

Reyes haalde zijn schouders op.

‘Zal ik je eens vertellen wat ik denk dat er is gebeurd?’ Waar Luciens toon eerst alleen scherp was geweest, klonk deze nu vol verwachting. En angst? ‘Je bent Aeron gaan zoeken in de hoop het meisje te kunnen beschermen.’

Het meisje. Aeron had ‘het meisje’ gekidnapt. Aeron had opdracht gekregen van de nieuwe goden, de Titanen, om ‘het meisje’ te vermoorden. Reyes had één blik op ‘het meisje’ geworpen en haar laten binnen dringen in zijn meest intieme gedachten, alles wat hij deed laten kleuren door haar, en zich door haar laten reduceren tot een verliefde dwaas.

Met één enkele blik had ze zijn leven veranderd, en niet in positieve zin. En toch werd Reyes behoorlijk pissig vanwege het feit dat Lucien weigerde haar naam uit te spreken. Reyes begeerde het meisje meer dan hij een mokerslag op zijn hoofd begeerde. Dat was nogal wat voor Pijn.

‘Nou?’ drong Lucien aan.

‘Je hebt gelijk,’ zei Reyes met opeengeklemde kaken. Waarom niet toegeven, dacht hij opeens. Zijn emoties schoten alle kanten op, en door het stil te houden, waren ze alleen nog maar hoger opgelopen. Bovendien zouden zijn vrienden hem niet méér kunnen haten dan hij zichzelf haatte. ‘Ik ben Aeron gaan zoeken.’

De bekentenis hing in de lucht, zwaar als ketenen, en hij zweeg even.

‘Je hebt hem gevonden.’

‘Ik heb hem gevonden.’ Reyes rechtte zijn schouders. ‘Ik heb hem ook... vernietigd.’

Stenen spatten uiteen onder Luciens laarzen toen hij naar voren beende. ‘Je hebt hem vermóórd?’

‘Erger nog.’ Nog steeds draaide Reyes zich niet om. Hij tuurde verlangend omlaag naar de nog altijd wachtende afgrond. ‘Ik heb hem begraven.’

Het geluid van zware voetstappen stopte abrupt. ‘Je hebt hem begraven, maar je hebt hem niet vermoord?’ Er klonk verwarring door in Luciens stem. ‘Ik begrijp het niet.’

‘Hij stond op het punt om Danika te vermoorden. Ik zag de gekwelde blik in zijn ogen en ik wist dat hij het niet wilde doen. Ik heb hem neergestoken om hem af te remmen, en hij bedánkte me, Lucien. Hij bedankte me. Hij smeekte me om hem definitief tegen te houden. Hij smeekte me om hem te onthoofden. Maar dat kon ik niet. Ik hief mijn zwaard op, maar ik kon het gewoon niet. Dus heb ik Kane gevraagd om Maddox’ ketenen op te halen en naar me toe te brengen. Aangezien Maddox ze niet meer nodig heeft, heb ik ze gebruikt om Aeron op te sluiten onder de grond.’

Reyes was ooit gedwongen geweest om Maddox elke avond vast te ketenen aan een bed, gedoemd om zijn vriend zes gehate keren in de buik te steken, in de wetenschap dat de krijger de volgende ochtend weer wakker zou worden en dat hij hem weer opnieuw zou moeten vermoorden. Fijne vriend was hij.

Na honderden jaren had Maddox zich geleidelijk aan neergelegd bij de vloek. Hem vastbinden was echter een noodzaak geweest. Als de hoeder van Geweld had Maddox de neiging om onaangekondigd aan te vallen. Zelfs zijn vrienden. En de krijger was zo sterk dat hij door mensenhanden gemaakt metaal in luttele seconden uit elkaar getrokken zou hebben. Dus hadden ze ketenen laten smeden door de goden, ketenen die niemand, zelfs een onsterfelijke niet, kon openmaken zonder de juiste sleutel.

Net als Maddox was Aeron er hulpeloos tegen geweest. In het begin had Reyes zich ertegen verzet om ze te gebruiken bij zijn vriend, omdat hij de krijger niet nog meer vrijheid wilde ontnemen. Helaas was het, net als bij Maddox, noodzaak geworden om ze te gebruiken.

‘Waar is Aeron, Reyes?’ In de vraag klonk een commando door met het gezag van een man die gewend was te krijgen wat hij wilde, wanneer hij het wilde. Een man die er wel voor zorgde dat er ernstige consequenties verbonden waren aan iedere vorm van uitstel.

Reyes was niet bang. Hij vond het simpelweg afschuwelijk om deze krijger teleur te stellen van wie hij hield alsof het zijn broer was. ‘Dat zeg ik niet. Aeron wil niet bevrijd worden.’ En al wilde hij dat wel, dan nog denk ik niet dat ik hem zou bevrijden.

Dat was de kern van Reyes’ schuldgevoel.

Opnieuw viel er een stilte tussen hen, dit keer langgerekt en verwachtingsvol. ‘Ik kan hem zelf wel vinden. Dat weet je best.’

‘Je hebt het al geprobeerd en het is je niet gelukt, anders zou je hier niet zijn.’ Reyes wist dat Lucien naar de wereld van de geesten kon flitsen om het unieke fysieke spoor van iemand te volgen. Soms vervaagde het spoor echter, of het raakte bezoedeld.

Reyes vermoedde dat dat van Aeron bezoedeld was, omdat de krijger niet meer de man was die hij was geweest.

‘Je hebt gelijk. Zijn spoor eindigt in New York,’ gaf Lucien bars toe. ‘Ik zou mijn zoektocht wel kunnen vervolgen, maar dat zou tijd kosten. En tijd is iets wat we op dit moment geen van allen kunnen missen. Er zijn al twee weken voorbij.’

Dat wist Reyes als geen ander, want hij had iedere dag van die twee weken gevoeld als een strop die zich steeds verder sloot om zijn hals. De ene zorg stapelde zich boven op de andere. Jagers, hun grootste vijanden, waren zelfs op dit moment op zoek naar de doos van Pandora in de hoop deze te kunnen gebruiken om de demonen uit ieder van de krijgers te zuigen, om daarmee de man te vernietigen en het beest op te sluiten.

Als de krijgers wilden overleven, moesten zij de doos als eerste zien te vinden.

Al was het leven op dit moment nog zo chaotisch, Reyes had geen behoefte om een definitief einde te maken aan het zijne.

‘Vertel me waar hij is,’ zei Lucien. ‘Dan zal ik hem naar het fort brengen en hem opsluiten in de kerker.’

Reyes snoof. ‘Hij is al eens ontsnapt. Hij zou opnieuw kunnen ontsnappen. Zelfs uit Maddox’ ketenen, volgens mij. Zijn bloeddorstigheid geeft hem een kracht die ik nog nooit eerder ben tegengekomen. Het lijkt me beter dat hij blijft waar hij is.’

‘Hij is je vriend. Hij is een van ons.’

‘Hij is op het moment zichzelf niet, dat weet je best. Het grootste deel van de tijd is hij zich niet bewust van zijn eigen daden. Hij zou jóú vermoorden als hij de kans kreeg.’

‘Reyes -’

‘Hij zal haar vernietigen, Lucien.’

Haar. Danika Ford. ‘Het meisje’.


DE DONKERSTE LUST is vanaf 2 oktober 2012 verkrijgbaar