Voorproefje van De IJzerkoning, van Julie Kagawa

Het eerste boek in The Iron Fey-serie.

Net als haar broertje ziet Meghan Chase ineens overal vreemde monsters; in het bos bij de bushalte lijkt zich iets engs schuil te houden, en op school staat er plotseling op een computerscherm: Meghan Chase, we komen je halen...


Hoofdstuk 1

De geest in de computer

Tien jaar geleden, op mijn zesde verjaardag, verdween mijn vader.

Nee, hij is niet gewoon vertrokken. Als iemand vertrekt denk je aan koffers en lege laden, aan verjaardagskaartjes die te laat aankomen met een briefje van tien erbij. Vertrekken zou de indruk wekken dat hij ongelukkig was met mam en mij, of dat hij ergens anders een nieuwe liefde had gevonden. Dat was allemaal niet het geval. Hij was ook niet dood, want dat zouden we hebben gehoord. Er was geen auto-ongeluk, geen lichaam, geen legertje agenten op de plek van een brute moord. Het gebeurde in alle rust.

Op mijn zesde verjaardag nam mijn vader me mee naar het park, een van mijn favoriete plekjes. Het was een eenzaam parkje, ergens achteraf, met een trimbaan en een troebele groene vijver met dennenbomen eromheen. We stonden aan de rand van de vijver de eendjes te voeren toen ik de bel van een ijscokar hoorde op de parkeerplaats achter het heuveltje. Mijn vader lachte toen ik hem smeekte om een hoorntje, en nadat hij me wat geld had gegeven, mocht ik het karretje achterna rennen.

Dat was de laatste keer dat ik hem heb gezien.

Later, toen de politie het gebied doorzocht, ontdekten ze zijn schoenen aan de rand van het water. Verder vonden ze niets. Ze stuurden duikers de vijver in, maar die was nauwelijks drie meter diep, en op de bodem vonden ze niets anders dan takken en modder.

Mijn vader was verdwenen zonder een spoor achter te laten.

Nog maanden daarna had ik een steeds terugkerende nachtmerrie waarin ik boven op de heuvel stond en toekeek hoe mijn vader de vijver in liep. Het water sloot zich boven zijn hoofd, en ik kon de bel van de ijscokar horen rinkelen op de achtergrond, een traag griezelig lied met woorden die ik bijna kon verstaan. Telkens als ik beter wilde luisteren werd ik wakker.

Niet lang na de verdwijning van mijn vader verhuisden we naar een piepklein gat aan de baai van Louisiana. Mam zei dat ze 'opnieuw wilde beginnen', maar diep van binnen heb ik altijd geweten dat ze ergens voor op de vlucht was.

Het zou nog tien jaar duren voor ik erachter kwam wat dat was.

* * *

Mijn naam is Meghan Chase.

Over een kleine vierentwintig uur word ik zestien. Sweet sixteen. Een leeftijd met een magische klank. Meisjes van zestien horen te veranderen in prinsessen, verliefd te worden, naar feestjes te gaan en meer van dat soort dingen. Er zijn ontelbare verhalen, liedjes en gedichten geschreven over meisjes die deze fantastische leeftijd bereiken, die de ware liefde vinden, voor wie de sterren helderder gaan schijnen of die met hun knappe prins de zonsondergang tegemoet rijden.

Ik geloofde niet dat dat voor mij opging.

De dag voor mijn verjaardag werd ik wakker, en nadat ik had gedoucht rommelde ik in mijn kast op zoek naar iets om aan te trekken. Normaal gesproken zou ik het eerste het beste redelijk schone kledingstuk van de vloer hebben geraapt, maar dit was een bijzondere dag. Vandaag was de dag dat Scott Waldron me eindelijk zou opmerken. Ik wilde er perfect uitzien. Helaas kwam mijn garderobe nogal wat tekort op het gebied van hipheid. Andere meiden vragen zich iedere ochtend af wat ze nu weer eens zullen aantrekken, maar in mijn kast vind je drie soorten kledingstukken: tweedehandsjes, afdankertjes en overalls.

Ik wou dat we niet zo arm waren. Ik weet dat de varkensfokkerij niet de meest flitsende bedrijfstak is, maar je zou denken dat mam toch minstens één fatsoenlijke spijkerbroek voor me zou kunnen kopen.

Vol afschuw staarde ik naar mijn schamele garderobe. Er zat niets anders op, ik zou Scott moeten verpletteren met mijn natuurlijke charmes. Als het me tenminste zou lukken om mezelf niet voor schut te zetten.

Uiteindelijk hees ik me in een wijde broek, een doodgewoon groen T-shirt en mijn enige paar afgetrapte gympen. Daarna haalde ik een borstel door mijn witblonde haar. Mijn haar is steil en erg fijn en vandaag stond het weer in die vreemde zweefstand, zodat het eruitziet alsof ik met mijn vingers in het stopcontact heb gezeten. Ik trok het strak in een paardenstaart en ging naar beneden.

Luke, mijn stiefvader, zat aan tafel koffie te drinken. Hij bladerde door het dunne stadskrantje, dat meer weg had van de roddelrubriek van onze schoolkrant dan van een bron voor serieus nieuws. KALF MET VIJF POTEN GEBOREN kopte de voorpagina. Dat werk.

Ethan, mijn vier jaar oude halfbroertje, zat bij zijn vader op schoot een boterham met jam te eten, waardoor Luke onder de kruimels kwam te zitten. Ethan drukte Floppie, zijn favoriete knuffelkonijn, met één arm tegen zich aan en probeerde hem hapjes van zijn ontbijt te voeren. De snuit van het konijn zat onder de jam.

Ethan is een schatje. Zijn bruine krullen heeft hij van zijn vader, maar net als ik heeft hij mams grote blauwe ogen geërfd. Hij is het soort jongetje tegen wie oude vrouwtjes spontaan beginnen te koeren en naar wie wildvreemde mensen glimlachend zwaaien vanaf de overkant van de straat. Mam en Luke vertroetelen hun hummel, maar gelukkig lijkt hij daardoor niet in een verwend monster te veranderen.

'Waar is mam?' vroeg ik toen ik de keuken binnen liep. Ik snuffelde in de kastjes, op zoek naar mijn favoriete soort cornflakes en ik vroeg me af of ze eraan gedacht had om ze mee te nemen. Natuurlijk was ze het weer vergeten. Er waren alleen vezelvierkantjes en die afgrijselijke cornflakes met marshmallows van Ethan. Was het nou zo moeilijk om aan gewone cornflakes te denken?

Luke negeerde me en nipte aan zijn koffie. Ethan kauwde op zijn boterham en niesde op zijn vaders arm. Met een flinke klap smeet ik de kastdeurtjes dicht.

'Waar is mama?' vroeg ik, iets harder deze keer.

Lukes hoofd schoot omhoog. Eindelijk keek hij me aan. In zijn slome bruine ogen, die op die van een koe leken, stond milde verbazing te lezen. 'O, hallo, Meg,' zei hij. 'Ik hoorde je niet binnenkomen. Wat zei je?'

Ik zuchtte en herhaalde mijn vraag voor de derde keer.

'Ze is naar een bijeenkomst met een paar dames van de kerk,' mompelde Luke voor hij weer in zijn krant dook. 'Ze komt pas over een paar uur terug, dus je zult de bus moeten nemen.'

Ik nam altijd de bus. Ik wilde haar er alleen maar aan herinneren dat ze dit weekend mijn proefrijbewijs moest regelen. Met Luke was dat een hopeloze zaak. Je kon iets veertien keer tegen hem zeggen en dan nog was hij het vergeten voor ik de kamer uit was. Hij was niet gemeen of zo, of zelfs maar dom. Hij was dol op Ethan en mam leek echt gelukkig met hem. Maar altijd als ik iets tegen hem zei, keek hij me oprecht verrast aan, alsof hij was vergeten dat ik hier ook woon.

Ik pakte een broodje van de koelkast en begon er nors op te kauwen terwijl ik met één oog de klok in de gaten hield. Beau, onze Duitse herder, scharrelde naar binnen en legde zijn grote kop op mijn knie. Ik krabbelde hem achter zijn oren; hij knorde tevreden. Het was fijn dat de hond me in ieder geval nog op waarde wist te schatten.

Luke stond op en zette Ethan voorzichtig in zijn stoel. 'Oké, knul,' zei hij, een kus op Ethans hoofd drukkend, 'papa gaat de wastafel in de badkamer repareren, dus hier blijven zitten en braaf zijn. Als ik klaar ben, gaan we de varkens voeren.'

'Oké,' piepte Ethan. Hij zwaaide met zijn korte beentjes. 'Floppie wil kijken of Ms. Daisy al baby's heeft gekregen.'

Lukes glimlach was zo walgelijk trots dat ik er misselijk van werd. 'Hé, Luke,' zei ik toen hij wegliep, 'ik wed dat je niet weet wat het morgen voor dag is.'

'Hm?' Hij draaide zich niet eens om. 'Geen idee, Meg. Als je plannen hebt voor morgen, dan moet je bij je moeder zijn.' Hij knipte met zijn vingers en Beau liet me onmiddellijk in de steek om hem te volgen. Hun voetstappen stierven weg op de trap. Ik was alleen met mijn halfbroertje.

Ethan trappelde met zijn voetjes en keek me ernstig aan. 'Ik weet het wel,' verkondigde hij plechtig terwijl hij zijn boterham op tafel legde. 'Morgen is het je verjaardag. Dat heeft Floppie verteld en ik heb het onthouden.'

'Klopt,' mompelde ik, terwijl ik me omdraaide om mijn broodje naar de vuilnisbak te gooien. Met een plofje raakte het de muur voor het erin viel. Er bleef een vette vlek op het behang achter. Ik grijnsde en besloot er niets aan te doen.

'Floppie wil je alvast een fijne verjaardag wensen.'

'Bedank Floppie maar van me.' Ik haalde een hand door Ethans haar voor ik de keuken uit liep. Met een rothumeur, want ik wist hoe het zou gaan. Mam en Luke zouden mijn verjaardag compleet vergeten. Ik zou geen kaartje krijgen, geen taart, en niemand zou me zelfs maar een fijne verjaardag wensen. Behalve het knuffelkonijn van mijn kleine broertje. Hoe sneu was dat?

Terug in mijn kamer pakte ik mijn boeken, huiswerk, gymkleren en de iPod waar ik eeuwen voor had gespaard, ondanks Lukes minachting voor 'overbodige, afstompende apparaten'. Mijn stiefvader is een typische boerenpummel die alles wat het leven makkelijker maakt met wantrouwen en afkeer bekijkt. Mobiele telefoons? Vergeet het maar, onze vaste telefoon doet het nog prima. Computerspelletjes? Werktuigen van de duivel die kinderen in criminelen en seriemoordenaars veranderen. Keer op keer heb ik mam gesmeekt om een laptop voor mijn huiswerk, maar Luke blijft volhouden dat zijn fossiele, rammelende pc goed genoeg is voor hem, dus ook voor de rest van de familie. Het kan hem niet schelen dat het eeuwen duurt om in te bellen op het internet. Wie heeft er nou nog een inbelmodem?

Ik keek op mijn horloge en vloekte. De bus kon ieder moment komen en het was zeker tien minuten lopen naar de weg. Toen ik uit het raam keek, zag ik dat de lucht grijs was alsof er een bui naderde, dus ik pakte mijn jack. Dit was niet de eerste keer dat ik liever iets dichter bij de stad had gewoond. Ik zweer het, als ik mijn rijbewijs heb en een auto, ga ik hier weg om nooit meer terug te komen.

'Meggie?' Ethan stond in de deuropening met zijn konijn onder zijn kin geklemd. Zijn blauwe ogen namen me somber op. 'Mag ik met je mee vandaag?'

'Wat?' Ik schoot in mijn jas en keek om me heen, op zoek naar mijn rugzak. 'Nee, Ethan. Ik moet naar school. De grotekinderenschool, verboden voor ukkies.'

Toen ik me omdraaide voelde ik twee kleine armpjes om mijn been. Met een hand steunde ik tegen de muur om te voorkomen dat ik zou vallen, en ik keek neer op mijn halfbroertje.

Vastberaden klemde Ethan zich aan me vast, zijn gezicht naar me opgeheven en zijn kaken op elkaar geklemd. 'Alsjeblieft?' smeekte hij. 'Ik zal lief zijn, beloofd. Mag ik mee? Alleen vandaag?'

Zuchtend boog ik voorover zodat ik hem kon optillen. 'Wat is er aan de hand, mini?' vroeg ik, het haar uit zijn ogen vegend. Mam zou het binnenkort weer moeten knippen; het begon op een vogelnest te lijken. 'Wat ben je klef vanmorgen. Is er iets?'

'Bang,' sputterde Ethan en hij begroef zijn gezichtje in mijn nek.

'Ben je bang?'

Hij schudde zijn hoofd. 'Floppie is bang.'

'Waar is Floppie bang voor?'

'De man in de kast.'

Ik voelde een rilling over mijn rug lopen. Ethan was zo rustig en serieus dat je soms vergat dat hij pas vier was. Hij had nog steeds een kinderlijke angst voor monsters onder zijn bed en boemannen in de kast. In Ethans werelds konden knuffeldieren praten, zwaaiden er onzichtbare mannen naar hem vanuit de bosjes en tikten akelige wezens met hun lange nagels tegen het raam van zijn slaapkamer. Meestal ging hij niet naar mam of Luke met zijn verhalen over monsters en enge mannen. Vanaf het moment dat hij oud genoeg was om te lopen, kwam hij naar mij.

Ik zuchtte, want ik wist dat hij wilde dat ik even zou kijken, om hem ervan te verzekeren dat er niets in de kast of onder het bed zat. Speciaal voor dat doel stond er een zaklamp op zijn nachtkastje.

Buiten begon het te bliksemen en in de verte hoorde ik de donder. Ik kreunde. Het zou geen aangename wandeling worden naar de bus. Verdomme, ik had hier geen tijd voor.

Ethan hield zijn hoofd achterover en keek me smekend aan.

Ik zuchtte weer. 'Goed dan,' mompelde ik en ik zette hem neer. 'We gaan kijken of er monsters zijn.'

Zwijgend volgde hij me de trap op, en hij hield me angstig in het oog toen ik de zaklamp pakte en op mijn knieën ging liggen om onder het bed te kijken.

'Geen monster te zien,' verklaarde ik toen ik weer overeind kwam. Ik liep naar de kast en gooide de deur open. Van achter mijn benen keek Ethan toe. 'Ook hier geen monsters. Ben je nu gerustgesteld?'

Hij knikte en glimlachte zwakjes.

Toen ik de deur van de kast dicht wilde doen, zag ik een vreemde grijze hoed in de hoek liggen. Hij was rond van boven en had een brede band. Een bolhoed. Wat raar. Hoe kwam die daar terecht?

Op het moment dat ik me wilde omdraaien, zag ik vanuit mijn ooghoek iets bewegen. Ik ving een glimp op van een gestalte die zich achter Ethans slaapkamerdeur probeerde te verbergen en die me met zijn bleke ogen opnam door de kier bij de scharnieren. Met een ruk draaide ik mijn hoofd om, maar er was natuurlijk niets te zien.

Niet te geloven, nu had Ethan me al zover dat ik denkbeeldige monsters begon te zien. Ik nam me voor om 's avonds laat minder enge films kijken.

Er klonk een enorme donderklap vlak boven ons huis, en ik maakte een sprong van schrik. Dikke druppels begonnen tegen de ruiten te slaan. Haastig rende ik langs Ethan het huis uit en de oprijlaan af.


Volg De IJzerkoning op facebook

Bekijk de videotrailer van De IJzerkoning op YouTube

Bestel De IJzerkoning