Voorproefje van Onsterfelijk, van Julie Kagawa

Julie Kagawa - Onsterfelijk

Het eerste boek in de Blood of Eden-serie.

Wat wil ze zijn: een meedogenloos monster of een echte heldin?

Hoofdstuk 1

Ze hingen de ongeregistreerden op in het oude pakhuisdistrict. Het was een openbare executie, dus iedereen ging kijken.

Ik stond achteraan, een naamloos gezicht in de menigte, te dicht bij de galgen om me op mijn gemak te voelen, maar niet in staat mijn blik af te wenden. Het waren er deze keer drie: twee jongens en een meisje. De oudste was ongeveer even oud als ik - zeventien - en mager, met grote angstige ogen en vettig, donker haar dat tot op zijn schouders hing. De andere twee waren nog jonger - veertien en vijftien, schatte ik, en broer en zus, afgaande op het identieke vlassige haar. Ik kende hen niet; ze hoorden niet bij mijn groepje. Ze zagen er hetzelfde uit als alle andere ongeregistreerden: mager en haveloos, met ogen die onrustig heen en weer schoten, als dieren in de val. Ik voelde mee met hun wanhoop. Het was voorbij. De val was dichtgeklapt; de jagers hadden hen te pakken, en er was geen uitweg.

De vazal stond aan de rand van het platform, opgeblazen en gewichtig, alsof hij de tieners zelf had gevangen. Hij liep heen en weer en wees naar de veroordeelden terwijl hij met een triomfantelijke glans in zijn ogen een lijst misdaden opdreunde. '...diefstal; het aanvallen van een inwoner van de Binnenstad; het betreden van verboden terrein, en verzet tegen arrestatie. Deze criminelen probeerden Eerste Klasse-levensmiddelen te stelen uit een privépakhuis van de Binnenstad. Dat is een misdaad tegen jullie, en, erger nog, een misdaad tegen onze goedgunstige meesters.'

Ik snoof. Dure woorden en juridisch abracadabra veranderden niets aan het feit dat deze 'criminelen' gewoon hadden gedaan wat alle ongeregistreerden deden om te overleven. Om welke reden dan ook - het lot, onze trots of pure koppigheid - hadden wij ongeregistreerde mensen het merkteken van onze vampiermeesters niet in onze huid gebrand staan, het merkteken dat bepaalde wie je was, waar je woonde en aan wie je toebehoorde. De vampiers zeiden uiteraard dat het omwille van onze veiligheid was, om bij te houden wie er in de stad woonden en te kunnen berekenen hoeveel voedsel ze uit moesten delen. Het was voor onze eigen bestwil. Tuurlijk. Hoe je het ook noemde, het was gewoon een manier om hun menselijke vee tot slaaf te maken. Je kon net zo goed een halsband dragen.

Het had verschillende voordelen om ongeregistreerd te zijn. Je bestond niet. Je kwam niet voor in hun administratie, was een geest in hun systeem. Omdat je naam niet op de lijsten stond, hoefde je je niet te melden voor de maandelijkse bloedafname, waarbij menselijke vazallen in kraakheldere witte jassen een naald in je ader staken en je bloed aftapten, dat vervolgens in doorzichtige zakken in koelboxen werd gelegd en naar de meesters werd gebracht. Als je een paar keer niet op kwam dagen, kreeg je de bewakers achter je aan en dwongen ze je het achterstallige bloed af te staan, ook al bleef er weinig meer van je over dan een leeg omhulsel. De vampiers zorgden er wel voor dat ze hun bloed kregen, hoe dan ook.

Als ongeregistreerde kon je door de kieren van het systeem glippen. Er was geen leiband waar de bloedzuigers aan konden rukken. En aangezien het niet direct een misdrijf was, zou je denken dat iedereen ervoor zou kiezen. Helaas hing er een prijskaartje aan de vrijheid. Geregistreerde mensen kregen voedselbonnen. Ongeregistreerde mensen niet. En aangezien de vampiers al het voedsel in de stad beheerden, was het behoorlijk lastig om aan voldoende eten te komen.

Dus deden we wat iedereen in onze omstandigheden zou doen. We bedelden. We stalen. We scharrelden voedsel bij elkaar waar we maar konden, deden alles om te overleven. In de Marge, de buitenste ring om de vampierstad, was voedsel zelfs schaars als je niet ongeregistreerd was. De vrachtwagens met rantsoenen kwamen twee keer per maand en werden zwaar bewaakt. Ik had geregistreerde burgers geslagen zien worden omdat ze niet netjes in de rij bleven staan. Dus het was dan wel niet direct een misdaad om ongeregistreerd te zijn, maar als je werd betrapt terwijl je van de bloedzuigers stal en het vervloekte merkteken van de prins niet op je huid had staan, hoefde je niet op genade te rekenen.

Het was een les die ik grondig ter harte had genomen. Pech dat deze drie dat niet hadden gedaan.

'...acht ons soja, twee aardappels en een kwart brood.' De vazal was nog steeds bezig met zijn opsomming, en het publiek staarde nu met een morbide fascinatie naar de galgen.

Ik glipte de menigte in en liep weg van het platform. De zelfvoldane stem weerklonk luid achter me, en ik balde mijn vuisten, wensend dat ik de tanden uit zijn grijzende mond kon slaan. Verdomde vazallen. In sommige opzichten waren ze nog erger dan de bloedzuigers. Ze hadden ervoor gekozen de vampiers te dienen, hun medemensen te verraden in ruil voor veiligheid en luxe. Iedereen haatte hen, maar tegelijkertijd was iedereen jaloers op hen.

'De regels omtrent ongeregistreerde burgers zijn helder.' De vazal was bezig zijn verhaal af te ronden en rekte zijn zinnen zo lang mogelijk om het maximale effect te bereiken. 'Volgens clausule tweeëntwintig, regel zesenveertig van het wetboek van New Covington, moet iedereen die steelt binnen de grenzen van de stad en die geen merkteken van prinselijke bescherming draagt, worden opgehangen tot de dood erop volgt. Willen de veroordeelden nog iets zeggen?'

Ik hoorde gedempte stemmen, de oudste dief die de vazal vervloekte, hem opdroeg iets te doen wat fysiek onmogelijk was. Ik schudde mijn hoofd. Dappere woorden zouden hem niet redden. Niets zou hem nu nog redden. Het was bewonderenswaardig dat hij tot het eind opstandigheid toonde, maar het zou slimmer zijn geweest als hij zich gewoon niet had laten pakken. Dat was zijn eerste fout geweest, en uiteindelijk ook zijn laatste. Zorg dat je altijd een uitweg hebt; dat was de hoofdregel van de ongeregistreerden. Doe wat je wilt - haat de vampiers, vervloek de vazallen... maar laat je niet pakken. Ik liep haastig weg, langs de rand van de menigte, en begon toen te rennen.

De dreun van de openklappende valdeuren weerkaatste luid in mijn oren, zelfs boven de geschokte geluiden van de toeschouwers uit. De daaropvolgende stilte leek wel een levend wezen, dat me aanspoorde me om te draaien, over mijn schouder te kijken. Ik negeerde de knoop in mijn maag en glipte een hoek om, zodat de muur zich tussen mij en de galgen bevond en ik niet in de verleiding kon komen om achterom te kijken.

* * *

Het leven in de Marge was eenvoudig, net zoals de mensen die er woonden. Ze hoefden niet te werken, hoewel er een paar 'handelsposten' waren waar je de spullen die je had gevonden kon ruilen voor andere dingen.

Ze hoefden niet te kunnen lezen; er waren geen banen waarvoor dat nodig was, en bovendien was het verboden om boeken te bezitten. Dus waarom zou je het risico nemen? Het enige waar ze zich mee bezig hoefden te houden, was het vinden van voedsel, het herstellen van hun kleren en het repareren van het hol, de doos of het lege gebouw dat ze als hun thuis beschouwden, zodat de regen er niet naar binnen kon.

Het geheime doel van bijna iedere Marginaal was om ooit te worden toegelaten tot de Binnenstad. Om voorbij de muur te komen die de beschaafde wereld scheidde van het uitschot, en deel uit te maken van de schitterende stad met zijn hoge fonkelende torens, die op de een of andere manier de tand des tijds hadden weten te weerstaan. Iedereen kende wel iemand die iemand kende die was meegenomen naar de stad, een briljante geest of een grote schoonheid, iemand die te uniek of bijzonder was om bij ons beesten te worden achtergelaten. Er gingen geruchten dat de vampiers 'fokten' met de mensen binnen de muren, en de kinderen grootbrachten als hun slaven, volledig toegewijd aan hun meesters. Maar aangezien geen van de Marginalen die waren opgenomen in de stad er ooit weer uit kwamen - behalve de vazallen en de bewakers, en die hielden hun mond stijf dicht - wist niemand hoe het er werkelijk aan toeging. Natuurlijk gaf dat alleen maar aanleiding tot meer wilde verhalen.

'Heb je het al gehoord?' vroeg Stick, toen ik hem ontmoette bij het hek van ijzergaas dat de rand van ons territorium markeerde. Achter het hek, aan de andere kant van een verlaten, met glasscherven bezaaid stuk grasland stond een oud, log gebouw dat mijn groepje en ik ons thuis noemden. Lucas, die feitelijk onze leider was, zei dat het ooit een 'school' was geweest, een plek waar jongeren zoals wij elke dag bijeen waren gekomen om te leren. Dat was voordat de vampiers de boel hadden leeggehaald en afgebrand. Aan de binnenkant was er weinig meer van over, maar het voldeed nog best als schuilplaats voor een bende magere straatratten. De drie verdiepingen hoge bakstenen muren begonnen af te brokkelen, en de vloer van de bovenste verdieping was ingestort. De verkoolde gangen en lege vertrekken waren koud, vochtig en donker; maar het was onze plek, ons toevluchtsoord, en we beschermden het met ons leven.

'Wat moet ik hebben gehoord?' vroeg ik, terwijl we ons bukten en door het gat in het roestige hek stapten. Voorzichtig liepen we door het onkruid en het gras en de gebroken flessen naar het gebouw, dat ons uitnodigend wenkte.

'Gracie is gisteravond meegenomen. Naar de stad. Ze zeggen dat de een of andere vampier zijn harem uit wilde breiden, en dus heeft hij haar laten ophalen.'

'Wát? Van wie heb je dat?'

'Kyle en Travis.'

Ik rolde vol afschuw met mijn ogen. Kyle en Travis behoorden tot een rivaliserend groepje van ongeregistreerden. Meestal lieten we elkaar met rust, maar dit klonk precies als iets wat onze concurrenten zouden verzinnen om ons van de straat te verjagen. 'Geloof je alles wat die twee zeggen? Ze dollen met je, Stick. Ze willen je bang maken.'

Sticks waterige blauwe ogen schoten nerveus heen en weer. Zijn echte naam was Stephen, maar niemand noemde hem meer zo. Hij was een stuk langer dan ik, wat je nauwelijks indrukwekkend kon noemen als je bedacht dat ik maar één meter vijfenvijftig was. Hij zag eruit als een vogelverschrikker, met strokleurig haar en schuchtere ogen, en hij slaagde er ternauwernood in om te overleven op straat. 'Zij zijn niet de enigen die het erover hebben,' hield hij vol. 'Cooper zei dat hij Gracie een paar straten verderop hoorde gillen. Wat zeg je daarvan?'

'Als het waar is? Dat ze kennelijk zo stom was om 's avonds rond de stad te gaan dwalen, en dat ze waarschijnlijk is opgegeten.'

'Allie!'

'Wat?' We bogen ons hoofd en stapten door de kapotte deuropening de bedompte gangen van de school binnen. Langs de ene muur stonden roestige metalen kluisjes, grotendeels gedeukt en kapot. Ik liep ernaartoe en rukte een van de deurtjes open. 'De vampiers blijven niet de hele tijd in hun geliefde torens. Soms gaan ze op jacht naar levende lichamen. Dat weet iedereen.'

Verder lezen? Bestel Onsterfelijk