Voorproefje van Schrikdraad, van Alex Kava

Schrikdraad - een Maggie O'Dell-thriller van Alex Kava

Gratis voorproefje van Schrikdraad, een Maggie O'Dell-thriller van Alex Kava

HOOFDSTUK 1

Nebraska National Forest
Halsey, Nebraska

Dawson Hayes keek naar de gezichten rond het kampvuur en pikte meteen de sukkels eruit. Triest eigenlijk hoe simpel ze te herkennen waren.

Nu kon hij wel zeggen dat hij een soort supersterke antenne voor mensen had, maar het was meer een kwestie van... Hoe ging dat spreekwoord ook alweer? Soort zoekt soort. Nog niet eens zo heel lang geleden had hij zelf ook zo tussen hen in gezeten, zich afvragend waarom hij mee was gevraagd, wachtend met het zweet in zijn handen tot duidelijk werd wat die uitnodiging hem ging kosten.

Medelijden had hij niet met ze. Ze hóéfden niet te komen. Niemand die ze aan hun haren meesleepte. Wat er straks ook gebeurde, ze hadden het eigenlijk gewoon aan zichzelf te danken. Hadden ze zich maar niet van alles in hun hoofd moeten halen, dan vroeg je er ook om. Je kwam niet zomaar bij de incrowd zonder er iets voor in te leveren. Als zij dachten van wel, waren ze echt hopeloze sukkels.

Dawson was wie hij was. Hij accepteerde dat tenminste. In feite vond hij het zelfs wel best. Hij vond het wel prettig om anders te zijn dan de rest van de klas en deed er soms nog een schepje bovenop, bijvoorbeeld door helemaal in het zwart te verschijnen op de vrijdagen dat het schoolfootballteam moest spelen en de hele school in de teamkleuren liep. Als hij de mafketel uithing, zágen mensen hem in elk geval. Zelfs coach Hickman had hem een misprijzende blik waardig gekeurd, terwijl die voordat Dawson op vrijdag in het zwart was verschenen niet eens de moeite had genomen te onthouden hoe Dawson heette.

Elke keer weer aan het begin van het schooljaar keek de coach bij Dawsons naam op de presentielijst zoekend de klas rond, over Dawson heen. Wanneer Dawson dan zijn hand opstak, schoten de wenkbrauwen van coach Hickman de hoogte in alsof hij nooit van zijn leven had kunnen bedenken dat zo'n coole naam als Dawson Hayes bij die puistenkop en dat aarzelend opgestoken, schriele armpje kon horen.

Dawson vond het wel prima. Nu zagen mensen hem eindelijk, en het boeide hem niet echt hoe dat zo gekomen was. Ook niet nu hij wist dat ze hem alleen mee bleven vragen op deze exclusieve feestjes in het bos omdat Johnny Bosh wel zag zitten wat Dawson aan het feest kon bijdragen. Die avond brandde dat iets in Dawsons jaszak. Hij probeerde er niet over na te denken. Deed zijn best er niet bij stil te staan dat hij het eerder die avond had meegepakt - meegepakt, ja, geleend, niet gejat - uit zijn vaders holster, terwijl de beste man had liggen slapen op zijn enige vrije avond. Zijn vader zou er trouwens vast niet meer mee zitten, zodra hij hoorde dat Dawson met Johnny B. omging. Nou ja, dat was niet waar. Zijn vader zou goed pissig zijn. Maar hij riep toch altijd dat hij vrienden moest zoeken, dingen moest ondernemen, net als andere kinderen? Dat hij eindelijk eens een gewone puber moest worden, met andere woorden.

Maar dat was het hem nou juist, voor een deel, dacht Dawson. Hij was té gewoon. Hij was geen sportheld zoals Johnny B., geen tabak pruimende cowboy zoals Trevor of een monsterbrein zoals Kyle, maar als hij met de Taser X26 in zijn handen stond, met die lichtgewicht, felgele behuizing die zo lekker in de hand lag, was hij iemand anders, iemand vol zelfvertrouwen. Hij hoefde maar te richten en hoppa, daar had je een stroomstoot van vijftigduizend volt. En dan had Dawson Hayes, de machteloze, opeens de macht. Was hij alles en iedereen de baas. Met dit technologische snufje in zijn hand had hij het gevoel dat hij alles kon.

Eerlijk gezegd was het misschien ook niet alleen die Taser. De salvia kon er ook iets mee te maken hebben. Hij zat nu een kwartier op zijn balletje te kauwen en begon het effect al te voelen. En dat was nog maar een van de hoogtepunten van die avond.

Dawson zocht de camera, verborgen achter een paar laaghangende dennentakken. Ze hadden hem gecamoufleerd. Dat hij het groene stipje nu zag knipperen, kwam alleen doordat hij Johnny had geholpen het ding op te zetten, ervoor zorgend dat de driepoot niet opviel tussen de bomen. Verder wist niemand dat hij er stond. Het had ook zo zijn voordelen om de vaste mafketel te zijn.

Dawson liet zijn blik over de open plek gaan. Ze hadden in een uithoek van het dennenbos een plek voor zichzelf vrijgemaakt, waar ze trouwens vast geen kampvuurtje zouden moeten stoken. Volgens Johnny B. waren ze niet te zien vanaf de weg of de uitkijktoren. Niet dat het iets uitmaakte. Daar was toch geen levende ziel. Aan één kant lag een open veld met hoog golvend gras, afgescheiden door een hek van prikkeldraad. Aan de andere kant stonden de eerste Ponderosadennen. Een meter of tien verderop kronkelde de rivier de Dismal. Dawson kon het water die avond horen, kabbelend over de rotsen als een fluistering.

Hun auto's hadden ze een halve kilometer terug achtergelaten langs een verlaten zijweggetje, een karrenspoor door het kniehoge gras. Om het bos in te komen hadden ze over het prikkeldraad moeten klimmen. Die wandeling was nog maar de eerste test geweest van de avond, maar Dawson vond dat de gasten van die dag zich al behoorlijk hadden laten kennen. De manier waarop ze te werk gingen en over de scherpe pinnetjes klauterden, zei al veel over hoe competent ze waren. Of ze zich omdraaiden om de volgende eroverheen of eronderdoor te helpen, of juist om hulp vroegen. Of hulp verwachtten, nog erger.

Dat was ook iets wat Dawson anders maakte dan zijn leeftijdgenoten. Hij vond het leuk om te kijken hoe mensen op elkaar reageerden, op hun omgeving, en dan vooral op onvoorspelbare gebeurtenissen. Zijn generatie was veranderd in een stel wezenloze zombies die elkaar na-aapten en navolgden, opgaand in hun eigen kleine wereldjes vol 'wat' in plaats van 'wat áls'. Dat vond hij misschien nog wel het interessantst aan Johnny's experimenten.

Ze waren maar met zijn zevenen die avond, maar nog klitten ze samen in aparte kliekjes. De mooie meiden, Courtney en Amanda, hingen om Johnny heen. Zelfs Nikki had zichzelf die avond bij de coole kliek naar binnen gewerkt, zag Dawson tot zijn teleurstelling. Hij had gehoopt dat Nikki daarboven zou staan. De meisjes keken alle drie alsof ze alles wat Johnny zei fantastisch vonden. Ze lachten en gooiden hun haren naar achteren en keken met van die blikken schuin omhoog zoals meisjes doen om interesse te tonen.

Dat was prima. Uitstralen dat het zijn club was, zijn feestje, dat kon Johnny wel. Hij was de quarterback, de koning van het bal, wel charmant maar met net zo'n ruig randje, dat niemand hem iets durfde te maken. Bevriend zijn met Johnny was veiliger dan iemand zijn die hij irritant vond.

Dawson wist niet precies wat Johnny met de Taser wilde. Hij kon best zonder. Johnny blaakte van het zelfvertrouwen, zelfs met die idiote cowboylaarzen. Ze noemden hem Johnny B. op school. Een bijnaam, cooler kon bijna niet. Dawson had Mr. Bosh bij een footballwedstrijd zelfs een keer 'Johnny be good' horen roepen, met een lach alsof hij juist het tegenovergestelde van zijn zoon verwachtte en daar geen enkel probleem mee had.

De eerste lichtflits kwam zonder geluid. Iedereen keek om, even.

De tweede flits knetterde boven hun hoofd. Dawson dacht even dat het bliksem was, maar de schicht waaierde uit in blauwe en paarse aderen, die zich als een barst in de schemering over de boomtoppen uitspreidden.

Dawson hoorde 'o' en 'a' om zich heen en glimlachte. Ze waren aan het trippen, kickten op het vuurwerk. Hijzelf waarschijnlijk ook.

Hij had nog nooit salvia gebruikt, maar volgens Johnny B. was het beter dan alles wat je in het medicijnkastje thuis kon vinden en veel sterker dan gewone wiet. Volgens Johnny was het 'vet vuurwerk dat je brein uitknijpt tot je echt zeker weten kunt vliegen'.

Dawson vond het er niet bijzonder uitzien. Grijsgroen zoals gewone salie, met brede bladeren, een plantje dat hij ook in de oude borders van zijn moeder zou kunnen vinden.

God, hij miste zijn moeder zo.

Dawson rolde nog een paar blaadjes op tot een strak pakketje en stopte dat in zijn mond, tussen zijn kiezen en zijn wang alsof het pruimtabak was, deze keer zonder een vies gezicht te trekken door de bittere smaak.

'Sally-D' had Johnny het plantje genoemd, en hij had verteld dat de indianen het als geneesmiddel gebruikten. 'Je holtes gaan ervan open. Het schoont je darmen op, stilt je pijntjes en wist de ruis in je hersenpan.'

Maar goed, zo enthousiast had hij vorige week ook geklonken toen hij iedereen de oxycodon had laten snuiven die hij had fijngemalen. Omdat hij maar twee van die pillen uit zijn moeders medicijnkastje had kunnen pakken, was het effect - vermalen en verdeeld over tien man - een tikje achtergebleven bij wat Johnny had voorgespiegeld. Toch stond hij nu weer te praten als zo'n man op het shoppingkanaal, tot iedereen aan zijn lippen hing en zich liet overhalen dit nieuwste spul uit te proberen. Alles om zich lekker te voelen en erbij te horen.

Nog geen minuut na Dawsons tweede portie voelde hij zich licht in het hoofd, een lekkere tinteling in zijn brein die hem losmaakte van de anderen, die hij zag rondwankelen en lachen en naar de lucht wijzen. Het was alsof hij toekeek vanuit een andere kamer, vertraagd, vanuit een sterrenstelsel ver weg, vlak voor zijn slaapkamerraam.

Een vet basritme dreunde, dreunde, dreunde maar in zijn achterhoofd. De takken aan de bomen zwaaiden. Hun stammen verdubbelden, verdriedubbelden.

Toen zag hij de rode ogen.

Ze gingen half schuil in de struiken, een stuk achter Kyle en Trevor, recht achter Amanda.

Twee vurige stippen keken toe, schoten van links naar rechts.

Waarom zag de rest dat monster niet?

Dawson deed zijn mond open om iets te roepen, maar er kwam niets uit. Hij stak zijn arm op en wees, maar hij herkende zijn eigen hand niet meer, die bijna fluorescerend geel en groen oplichtte in het stroboscooplicht dat uit de boomtoppen scheen. Golven paars en blauw licht knetterden tussen de takken.

Toen rook hij de hitte. Alsof iemand de strijkbout te lang aan had laten staan, daar leek het op. Opeens werd de geur sterker en moest hij denken aan verschroeide hotdogs op een open vuurtje - zwart, knapperig, verbrand vlees. Hij bedacht opeens dat ze niets te eten bij zich hadden.

Het gevoel begon als een tinteling. De lucht raakte doortrokken van statische elektriciteit. De anderen hadden het nu ook in de gaten. Ze riepen geen 'o' en 'a' meer. Nu wankelden ze alleen nog maar rond, het hoofd in de nek, turend naar de boomtoppen.

Dawson keek weer naar de vurige, rode ogen in de struiken. Weg.

Hij keek van links naar rechts, draaiend met zijn hoofd. Hij hoorde een mechanisch klikje in zijn hoofd, alsof zijn ogen waren veranderd in machientjes. Steeds als hij knipperde, schoven zijn oogleden als sluiters dicht en open. Elke beweging klikte en echode in zijn hoofd. Zijn neusgaten stonden wijd open, zogen de lucht naar binnen die zijn longen schroeide. In zijn keel hing een metalige smaak.

De volgende lichtflits siste en liet een spoor van vonken achter.

Deze keer hoorde Dawson uitroepen van verbazing. Gevolgd door pijnkreten.

Toen schoten de vurige, rode ogen opeens tevoorschijn uit de struiken en vlogen van de overkant van hun open plek recht op Dawson af.

Dawsons arm kwam omhoog. Hij richtte de Taser en haalde de trekker over.

Het monster wankelde achteruit, viel en landde languit in de bladeren in een fontein van gloeiende sterren die opspoten uit een laag dennennaalden. Dawson bleef niet staan wachten tot het beest weer opsprong. Hij draaide zich om en zette het op een rennen. Tenminste, dat deden zijn benen. Het voelde alsof de rest van zijn lichaam werd meegedragen, het bos in werd gejaagd door een sterkere kracht dan zijn eigen voeten.

Hij kon nog net zijn armen optillen om de takken uit zijn gezicht te houden. Ze rukten aan zijn kleren en haalden zijn vel open. Hij zag niets. Het dreunen in zijn achterhoofd overstemde elk ander geluid. Achter hem sprongen de lichtflitsen heet en fel op. Voor zich zag hij alleen de inktzwarte duisternis.

Hij knalde keihard in het schrikdraad. De stroomstoot gooide hem omver. Hij viel en voelde dat zijn huid werd doorboord, als een vis gevangen aan duizend haakjes. De pijn trok in vinnige pijlen over zijn hele lichaam en zette rondom zijn tanden in hem.

Tegen de tijd dat Dawson Hayes de grond raakte, was zijn shirt al nat van het bloed.

 

HOOFDSTUK 2

Acht kilometer verderop

'Geen bloed?' FBI-agent Maggie O'Dell deed haar best niet buiten adem te klinken.

Het zat haar niet lekker dat ze haar begeleider maar met moeite kon bijhouden. Ze had een prima conditie, was een goede hardloopster, maar lopen over die glooiende zandheuvels met het wuivende hoge gras leek meer op watertrappelen. Het hielp ook al niet dat haar begeleider vijfentwintig centimeter boven haar uitstak en zijn lange benen gewend waren aan het terrein van de Nebraska Sandhills.

Het was alsof Donald Fergussen, een State Patrol-rechercheur, haar kon horen denken, want hij ging langzamer lopen om haar de kans te geven hem in te halen. Toen hij bleef staan, dacht ze dat hij gewoon beleefd wilde zijn, tot ze het prikkeldraad zag dat hun de doorgang versperde. De rechercheur had zich de hele reis als een echte heer gedragen, tot ergernis van Maggie, die bij de FBI al tien jaar bezig was haar mannelijke tegenhangers met zachte hand zo ver te krijgen, dat ze haar net zo behandelden als de eerste de beste mannelijke collega.

'Ik heb nooit zoiets gezien,' zei hij na zo'n lange stilte, dat Maggie al bijna was vergeten dat ze een vraag had gesteld. Tijdens de autorit vanaf Scottsbluff was het net zo gegaan. Elke vraag kreeg zijn volle aandacht, waarna hij bedachtzaam en weloverwogen antwoordde. 'Maar inderdaad, geen bloed ter plaatse. Niets. Bij alle gevallen tot nu toe.'

Einde verklaring. Dat paste ook in het patroon. Hij was niet alleen een man van weinig woorden, maar ook eentje die alles wat hij zei afpaste alsof hij per woord moest afrekenen.

Hij gebaarde naar het hek. 'Pas op. Die kan op scherp staan,' zei hij, wijzend naar een dunne, bijna onzichtbare draad die van paal naar paal liep, ongeveer vijftien centimeter hoger dan de bovenste van de vier rijen prikkeldraad.

'Op scherp?'

'Sommige veeboeren zetten schrikdraad op hun hekwerk.'

'Ik dacht dat dit land eigendom van de federale staat was.'

'Het nationaal park geeft al sinds de jaren vijftig stukken land in pacht aan veeboeren. Daar worden beide partijen wijzer van. De boeren hebben verse weidegrond, en er komt geld vrij voor herbebossing. Bovendien is op land dat begraasd wordt minder kans op grasbranden.'

Hij deed zijn verhaal zonder nadruk, nuchter en zakelijk, alsof hij een mededeling van overheidswege deed. Al pratend onderzocht hij de draad. Hij ging met zijn ogen van paal naar paal, terwijl hij een paar passen langs het prikkeldraad liep. Hij hield een hand opgestoken, met zijn handpalm naar haar toe, om haar te manen te wachten tot hij klaar was met zijn controle.

'In 1994 is ruim tweeduizend hectare verloren gegaan,' vertelde hij, nog steeds met zijn blik de draad volgend. 'Niet te geloven hoe snel een brand om zich heen kan grijpen in dat gras hier. Gelukkig is toen maar tachtig hectare naaldbos verwoest. Dat stelt elders misschien niet veel voor, maar dit is wel het grootste aangeplante bos ter wereld. Achtduizend van de vijfendertigduizend hectare is bedekt met naaldbos, dwars tegen de natuur in.'

Maggie keek onwillekeurig achterom. Ruim een kilometer verderop zag ze de duidelijke grens waar de zandheuvels, hier en daar begroeid met hoog gras, abrupt overgingen in weelderig groen naaldbos. Na de autorit, waarin ze urenlang nauwelijks een boom had gezien, drong het opeens tot haar door hoe vreemd het eigenlijk was dat hier een bos groeide.

Hij ontdekte iets op een van de palen en zakte door zijn knieën tot hij ermee op ooghoogte kwam. 'Bosbeheerders verklaren vaak dat brand goed voor het land kan zijn omdat het bos dan de kans krijgt te verjongen,' vervolgde hij, zonder haar aan te kijken, 'maar hier moet alles wat verloren gaat opnieuw worden aangeplant. Dat is ook de reden waarom dit bos zijn eigen kwekerij heeft.'

Voor een man van weinig woorden strooide hij er nu kwistig mee. Misschien vond hij het een belangrijk onderwerp. Maggie zat er niet mee. Hij had een bedaarde, rustgevende manier van doen, en met zijn volle, diepe stem zou hij haar Oorlog en Vrede kunnen voorlezen, van de eerste tot de laatste pagina, zonder dat haar aandacht ook maar even afdwaalde.

Bij hun eerste kennismaking had hij erop aangedrongen dat ze hem aansprak met Donny, en ze had bijna hardop gelachen. Die naam hoorde in haar hoofd eerder bij een klein jongetje. Zijn omvang en verweerde gezicht wezen juist op het tegendeel. Zijn glimlach had weer wel iets jongensachtigs, in combinatie met zijn kuiltjes, maar de rimpeltjes rond zijn ogen en het licht grijzende haar deden een doorgewinterde rechercheur vermoeden. Als hij zijn hoed afzette - zoals nu, om te voorkomen dat de rand van zijn stetson de draad raakte - was de jongensachtige indruk weer terug, dankzij de parmantige kuif op zijn voorhoofd, aan het begin van een kaarsrechte kamscheiding.

'Veeboeren hebben een hekel aan brand.' Donny viel stil om de houten paal voor zich beter te bekijken. Hij hield zijn hoofd schuin en rekte zijn nek, zorgvuldig elke aanraking met het hek of de paal vermijdend. 'De boeren halen hun schouders op over de verjonging. Waarom zou je al die kostbare voedervoorraad verwoesten en verspillen, zo zien zij het.'

Eindelijk kwam hij overeind, zette zijn hoed weer op en verklaarde: 'Komt goed. Hij staat niet op scherp.' Om daarna met zijn vingertoppen toch nog een snel tikje op het draad te geven, zoals op een gaspit als je zeker wilt weten dat hij is uitgedraaid.

Tevredengesteld greep hij tussen de punten het prikkeldraad vast met zijn kolenschoppen, een om elk van de twee middelste draden, en maakte ruimte voor haar.

'Ga je gang,' zei ze tegen hem.

Ze moest even wachten tot hij de overstap had gemaakt van heer met manieren naar collega-wetsdienaar. Het duurde even voordat de weerstand uit zijn niet-begrijpende blik was geweken. Uiteindelijk knikte hij en verplaatste zijn handen van de middelste naar de bovenste twee draden om de opening aan te passen aan zijn langere benen.

Maggie lette goed op hoe hij zijn grote lichaam in bochten wrong en zich tussen de draden door manoeuvreerde zonder ook maar een punt te raken. Zijn methode exact imiterend volgde ze hem even later door het hek. Ze hield haar adem in en klemde haar tanden opeen toen haar haren aan een van die vlijmscherpe punten bleven hangen.

Aan de andere kant van het hek liepen ze verder door het kniehoge prairiegras. De zon begon achter de horizon te verdwijnen en zette de hemel in een prachtige paarsroze gloed, die overliep in het diepe donkerblauw van de schemering. Maggie was graag even in het open veld blijven staan om dat caleidoscoopeffect te bewonderen.

Ze merkte dat ze zich details inprentte om Benjamin Platt er later over te kunnen vertellen, al zou ze die dan in cinematografische termen gieten. 'A la John Wayne in Red River,' zou ze zeggen als ze het landschap voor hem beschreef. Dat was een vast spelletje tussen hen. Ze waren allebei liefhebbers van klassieke films. In krap een jaar tijd waren ze van dokter en patiënt veranderd in vrienden. Al merkte Maggie de laatste tijd dat ze Ben als meer dan alleen een vriend begon te zien.

Ze baande zich moeizaam een weg over het oneffen terrein en merkte dat het gras hier dichter en hoger groeide. Ze moest een tandje bijzetten om Donny bij te houden.

Hij was een reus van een vent, een klerenkast met een stierennek. Maggie bedacht dat hij eruitzag alsof hij een kogelvrij vest onder zijn overhemd droeg. Alleen zat er geen vest onder maar stevige, goed getrainde spierpartijen. Hij moest zeker één meter vijfennegentig zijn, langer nog misschien, want ze had de indruk dat hij iets vooroverboog bij zijn middel en zijn schouders gebogen hield alsof hij tegen de wind in liep, of zich niet goed raad wist met zijn lengte, misschien.

Maggie merkte dat zij twee stappen moest zetten tegen één stap van hem. Het zweet brak haar uit ondanks de kou die opeens kwam opzetten. De ondergaande zon nam de warmte van de dag met zich mee, en ze had er spijt van dat ze haar jas in Donny's pick-up had laten liggen. Met de invallende avond leken Donny's lange passen alleen nog maar grotere afstanden te overbruggen.

Gelukkig had ze wel gemakkelijke, platte schoenen aangetrokken. Ze was eerder in Nebraska geweest en had gedacht dat ze goed voorbereid was, maar die andere keren had ze helemaal in het oosten gezeten, bij Omaha, de enige grote stad in de staat, gelegen in de kom van een rivierdal. Hier, honderdvijftig kilometer van de grens met Colorado, was het landschap heel anders dan ze zich had voorgesteld. Op de autorit vanaf Scottsbluff had ze weinig bomen en nog minder dorpen gezien. De paar plaatsjes die ze waren tegengekomen, hadden ze met even gas terugnemen binnen een paar minuten alweer achter zich gelaten.

Donny had haar verteld dat het vee hier het aantal inwoners overtrof, wat ze had afgedaan als een grapje.

'Je was hier niet eerder,' had hij gezegd, meer als constatering dan als vraag. Hij had niet defensief geklonken, maar beleefd bij het zien van haar ongelovige blik.

'Ik ben een paar keer in Omaha geweest,' had ze gezegd, maar uit zijn lachje had ze begrepen ze dat dat zoiets was als antwoorden dat ze in het Smithsonian Museum was geweest op de vraag of ze het slagveld van Little Bighorn ooit had gezien.

'Het is negen uur rijden om van de ene kant van Nebraska naar de andere te komen,' had hij haar verteld. 'Er wonen 1,7 miljoen mensen. Daarvan woont ongeveer een miljoen in een straal van vijfenzeventig kilometer rond Omaha.'

Donny's stem deed Maggie aan die van een dichterlijke cowboy denken, en ze had geen bezwaar gehad tegen zijn college aardrijkskunde.

'Ik zal het voor je in een verhouding zetten waar je iets mee kunt, niet neerbuigend bedoeld verder.' Daar was hij even stilgevallen, met een blik op haar om haar de kans te geven bezwaar te maken. 'Cherry County, hier naar het noordwesten, is de grootste regio van Nebraska. In oppervlak vergelijkbaar met Connecticut. Daar wonen nog geen zesduizend mensen op bijna vijftienduizend vierkante kilometer. Dat is dus ongeveer een inwoner op tweeënhalve vierkante kilometer.'

'En hoeveel stuks vee?' had ze met een lachje gevraagd, om hem zijn oorspronkelijke punt te gunnen.

'Iets minder dan tien op tweeënhalve vierkante kilometer.'

Ze had zichzelf betrapt op een gebiologeerde blik op die glooiende zandheuvels, en opeens was de vraag in haar opgekomen wat ze kon verwachten als ze naar de wc moest. Maar het ergste was nog dat Donny's aardrijkskundeles vooral haar hypothese bevestigde dat deze missie - net als verschillende hiervoor - de zoveelste strafexpeditie was die haar baas haar oplegde.

Een paar maanden eerder had adjunct-directeur Raymond Kunze haar naar de Florida Panhandle gestuurd, recht op een aanstormende orkaan van de vijfde klasse af. Kunze was nog maar een jaar daarvoor officieel aangesteld, maar hij had er al een gewoonte van gemaakt haar op kansloze missies te sturen. Al leek hij nu iets milder te worden. Kon het gevaar hem eerst niet groot genoeg zijn, nu leek hij te mikken op geestdodende gekte.

Deze keer had hij haar naar Denver gestuurd om een training te geven op een politiecongres. Met een kleine omweg via de Nebraska Sandhills, want meer heette dit tochtje niet te zijn. Maggie was een universitair geschoolde gedragsdeskundige en forensisch specialist. Inmiddels had Kunze haar al zo lang geen echte plaats delict meer laten onderzoeken, dat ze zich begon af te vragen of ze nog wel wist hoe ze het protocol correct moest afwerken. Ook hier leek het delict weer te ontbreken, al dachten de koeien daar waarschijnlijk anders over.

Al lopend probeerde Maggie aan iets anders te denken dan aan de kou en het invallende duister. Ze dacht, net als eerst, aan het afwezige bloed.

'Kan het de regen zijn?' Werktuiglijk keek ze achterom. Tegen die paarse horizon leken de dikke, grauwe wolken nog dreigender. Nog even, en ze zouden het laatste licht wegnemen.

Bij het woord 'regen' ging Donny nog harder lopen. Als hij zijn pas nog eens versnelde, zou ze het op een drafje moeten zetten om niet achterop te raken.

'Het heeft sinds vorig weekend niet meer geregend,' antwoordde hij. 'Daarom leek het me ook van belang dat je een kijkje nam voordat die donderkoppen hier komen aanrollen.'

Ze hadden Donny's pick-up achtergelaten op een onverharde zijweg van de doorgaande weg, naast een stoffige, verlaten, zwarte terreinwagen. Donny had laten vallen dat hij de veeboer had gevraagd ook mee te gaan, maar die was nergens te bekennen. Ze had nog geen levend wezen gezien. Zelfs geen koeien, moest ze toegeven.

De toppen van de zandheuvels onttrokken de weg aan het zicht. Maggie klom achter Donny aan over een helling die zo steil bleek, dat ze zichzelf erop betrapte dat ze haar vingers op de grond zette om haar evenwicht te bewaren. Bovenaan bleef Donny opeens staan. Nog voordat ze bij hem was, kwam de geur haar al tegemoet.

Hij wees naar een zanderige uitholling in de diepte, ongeveer ter grootte van een zwembad in een achtertuin. Eerder had hij zo'n kuil aangeduid als een windgat, met de verklaring dat wind en regen het gras daar hadden weggespoeld. Als de veeboeren er geen paal en perk aan stelden, erodeerden ze alleen maar meer en dijden ze steeds verder uit.

De stank van de dood steeg naar hen op. Midden in het zand lag de verminkte koe, de vier poten stijf omhoog in de lucht. Het beest leek alleen in niets op de koeien zoals Maggie ze kende.

 

HOOFDSTUK 3

Op het eerste gezicht deed het tafereel Maggie denken aan een archeologische opgraving waarbij het een of andere prehistorische wezen was blootgelegd.

De huid van de kop van de koe was weggesneden, tot alleen een blijvende macabere grijnslach restte, kaken en tanden zonder het vlees. Het linkeroor ontbrak, terwijl het oor rechts nog ongeschonden was. De oogkassen waren volledig leeggehaald, tot op het bot, diepe kassen die leeg naar de hemel staarden. Het karkas lag half op de zij, half op de rug, met de stijve poten uitgestrekt, maar de nek lag gedraaid zodat de kop met de neus omhoogstak. Het gaf Maggie tegen wil en dank het gevoel dat het dier nog een ultieme poging had gedaan een blik te werpen op degene die haar dit had aangedaan.

Maggie deed maar een gooi naar het geslacht. Alles waaruit ze had kunnen afleiden of het dier een stier of een koe was, was weggesneden en verdwenen. En zoals gezegd, was er geen bloed te zien. Nog geen spatje, geen druppel. Het was met precisie gedaan, berekend en genadeloos. Toch moest ze de vraag stellen.

'Sorry dat ik zo'n voor de hand liggende vraag stel,' begon ze, voorzichtig, alsof dit een plaats delict was als alle andere, 'maar wat maakt je er zo zeker van dat dit niet het werk van roofdieren is?'

'Het feit dat rode lynxen en coyotes geen scalpels gebruiken,' zei een onbekende stem achter haar. 'Voorzover ik weet, tenminste.'

Dat moest de veeboer zijn die had gezegd dat hij erbij zou zijn. De man kwam de heuvel af zetten door op zijn cowboylaarzen door het zand te glijden, een paar stappen te zetten als hij een pol gras tegenkwam en dan weer verder te glijden. Ook in het schemerlicht kon hij zijn weg vinden zonder echt te hoeven kijken wat hij deed. Hij droeg een spijkerbroek, een honkbalpet en een licht jack - naar dat laatste begon Maggie zo langzamerhand ook te verlangen.

'Dit is Nolan Comstock,' zei Donny. 'Hij laat zijn vee al op dit perceel grazen sinds... Hoelang zou het zijn, Nolan?'

'Ik loop al tegen de veertig jaar mee. En ik heb nooit een koe verloren die er zo bij lag. Ik hoop dus maar dat je mijn tijd en de jouwe niet gaat verkloten door me te vertellen dat dit verdomme het werk is van een coyote.'

'Nolan!' Donny's anders zo bedaarde, gelijkmatige stem schoot opeens uit. Maggie zag zijn nek rood uitslaan, maar toen herstelde hij zich, sloeg een andere toon aan en zei: 'Dit is Maggie O'Dell van de FBI.'

Nolan trok een van zijn borstelige wenkbrauwen op en schoof zijn pet iets naar achteren. 'Het was niet mijn bedoeling onbeleefd te zijn, ma'am.'

'Ik heb liever niet dat u dat woord gebruikt.'

'Hè? Wordt er niet meer gevloekt bij de FBI tegenwoordig?'

'Nee, ik had het over ma'am.'

Ze zag dat de twee elkaar even aankeken, maar haar poging tot een grapje was niet aangekomen. Ze liet het maar gaan en hurkte neer bij het karkas, zorgvuldig de kant kiezend waar de wind vandaan kwam. Ze had niet die hele reis gemaakt om te dienen als het middelpunt van een ruzietje tussen een oude veeboer die een vrouwelijke FBI-agent geen blik waardig keurde en een politieman die eiste dat hij haar aanwezigheid erkende.

'Praat me maar bij,' zei ze, zonder nog naar een van beiden te kijken. Straks hadden ze geen licht meer, en hun geduld zou vast even snel verdampen.

'Deze wijkt niet af van alle andere.' De reactie kwam van Donny. 'Ogen, tong, genitaliën, linkeroor, wangen -'

'Linkeroor,' onderbrak ze hem. 'Heeft dat iets te betekenen?'

'Het oormerk zit meestal links,' zei Nolan.

Toen een reactie van Maggie uitbleef, vervolgde Donny zijn relaas. 'Allemaal even nauwkeurige incisies. Geen bloed uit de sneden. Alsof alles is afgetapt. Er zijn alleen geen voetafdrukken te zien. Of bandensporen.'

'En geen sporen van dieren,' voegde Nolan eraan toe. 'Ook van haar niet. Haar kalf liep al te mekkeren. Die heeft ze niet zomaar achtergelaten, dat kun je vergeten. De rest van de kudde loopt een kleine kilometer naar het westen. Ik zou zeggen dat ze hier zo'n twee dagen ligt, en kijk maar eens goed. De aaseters hebben haar nog niet eens aangeraakt.'

En geen vliegen of maden, merkte Maggie op zonder het hardop te zeggen. Door de afwezigheid van bloed zou het langer duren voordat het gebruikelijke ongedierte zich meester maakte van het karkas. Ze kwam overeind, liep om het dier heen en hurkte aan de andere kant weer neer. Een paar minuten vergleden, waarin ze haar blik onderzoekend en geconcentreerd over het karkas liet gaan. De totale stilte viel haar op, het bijna eerbiedige stilzwijgen van haar gastheren. Ze keek op naar de twee mannen die naast elkaar als toeschouwers op zeker vier meter afstand stonden te kijken, een verwachtingsvolle blik in hun ogen.

'Nu moet ik zeker de begintune van de X-files horen opklinken?'

De mannen veranderden niet van uitdrukking. Geen mondhoekje dat opkrulde.

Na een paar tellen keek Nolan Danny aan en zei: 'De X-files? Wat moet dat in godsnaam wezen?'

'Een oude tv-serie.'

'Een tv-serie?'

'Het was een grapje,' legde Donny uit, die het blijkbaar wel als zodanig had herkend. Een lachje kon er echter nog altijd niet af.

'Een slecht grapje,' voegde ze er bij wijze van verontschuldiging aan toe.

'Vindt u dit soms grappig?'

Het was al te laat. Ze had een open zenuw geraakt. Nolan ontblootte gele tanden onder de koffieaanslag in een sarcastische grijns, kracht bijgezet door tot spleetjes geknepen donkere ogen. 'Dit is geen geintje,' zei hij tegen haar. 'En dit is niet de enige. Volgens mijn telling is dit nummer zeven in drie weken tijd. Alleen hier, hè, op het terrein van het park. Dus buiten de gevallen over de grens in Colorado waar we van weten. En dan zijn de gevallen die niet zijn gemeld niet inbegrepen. Ik weet al van één veeboer die een maand terug een Black Angus-stier heeft gevonden maar het niet wil melden omdat de verzekering niets vergoedt als het om verminking gaat.'

'Ik wilde u niet voor het hoofd stoten,' zei Maggie. 'Ik bedoelde alleen dat het zo'n eigenaardig geval is.'

'Die andere vent, Stotter...' Nu richtte Nolan zich tot Donny. '...die dacht volgens mij ook aan UFO's. Ze laten zich gewoon niet pakken, die mensen. Ik weet verdomme niet eens of het volgens jou en die andere experts wel mensen zijn. Ik word al die slappe verklaringen en smoesjes alleen goed zat. Dat is alles wat ik zeg.'

'Wat denkt u dan dat het is?' vroeg Maggie, die zich had opgericht en hem aankeek.

De oude veeboer leek ervan op te kijken dat ze hem naar zijn mening vroeg. 'Ik? Persoonlijk?'

Ze knikte en wachtte af.

Nolan keek even naar Donny, bijna alsof het de politieman in het verkeerde keelgat kon schieten wat hij wilde gaan zeggen.

'Als je het mij vraagt, is dit het werk van onze belastingcenten.'

'Je denkt dat de overheid erachter zit,' zei Donny. 'Vanwege de lichten en de helikopters.'

'Helikopters?' vroeg Maggie.

'De mensen hier zien regelmatig vreemde lichten aan de hemel, 's avonds en 's nachts. En er zijn er die beweren dat ze helikopters hebben gezien,' legde Donny uit. 'Een paar veeboeren in Cherry County inspecteren hun kuddes met helikopters.'

'Dit zijn geen gewone helikopters.' Nolan schudde zijn hoofd. 'Die maken herrie. Ik heb het over helikopters die gebruikt worden tijdens verdekte operaties.'

'En dan zijn er ook mensen die zeggen dat ze ruimteschepen hebben gezien,' voegde Donny eraan toe op een toon die beide verklaringen moest uitsluiten.

'Gevolgd door gevechtsvliegtuigen,' zei Nolan, die negeerde dat Donny zijn ogen ten hemel sloeg en zijn armen voor zijn enorme borstkas kruiste.

'Dat is één keer gebeurd,' wierp Donny tegen. 'We zitten precies tussen NORAD en STRATCOM in,' legde hij Maggie uit. Om dan tegen Nolan te vervolgen: 'Geen van die legerbases heeft bevestigd dat er gevechtsvliegtuigen in dit gebied zijn ingezet.'

'Nee, dank je de koekoek.'

Maggie keek van een afstandje zwijgend toe. Blijkbaar ontbrak er nog veel informatie in haar X-file.

Nolans blik zocht de hare en hield hem vast. 'Dus misschien kunt u ons wijzer maken,' zei hij. 'Gaat hem om het een of andere geheime project van de overheid?'

Ze wierp nog een blik op de verminkte koe en bedacht hoe vers de open wonden nog leken in het schemerlicht. Toen keek ze de veeboer weer aan.

'Waarom denkt u dat de overheid mij dat zou vertellen?'

Op dat moment begon de mobilofoon die aan Donny's riem geklemd zat te tetteren.

Ze mocht dan in de Nebraska Sandhills zitten, die codes herkende Maggie wel. Er was iets mis. Heel erg mis.

 

Verder lezen? Bestel SCHRIKDRAAD van Alex Kava